Wie geen aids krijgt van hiv heeft afweer die dubbel kan binden
Rotterdam, 2 okt. Bij iemand die met het hiv besmet raakt, maakt het lichaam afweerstoffen (antilichamen) die zelden effectief zijn. Alleen een handvol geïnfecteerden wordt niet ziek. Onderzoekers uit New York en Berlijn hebben nu ontdekt wat de antilichamen van de effectieve infectiebestrijders zo bijzonder maakt: ze kunnen vrijwel alle varianten van het voortdurend muterende virus aan. Bovendien zijn ze bijna altijd polyreactief: ze binden ook nog aan een andere in het virusomhulsel aanwezige stof. Dat laatste is strijdig met bestaande immunologische kennis. Die zegt: één antilichaam bindt aan één herkenningspunt (Nature, 30 september). Antilichamen zijn eiwitten met een typische Y-vorm. Ze worden gemaakt door de B-cellen van het immuunsysteem. De wijkende benen van de Y zijn zo geprogrammeerd dat ze aan bepaalde stoffen (antigenen) op het oppervlak van een ziekteverwekker binden. Andere cellen van het immuunsysteem vernietigen vervolgens cellen of deeltjes waar een antilichaam aan is gebonden. Antilichamen zijn vrijwel altijd specifiek voor één bepaald antigeen en dus ook voor een bepaalde ziekteverwekker. Wel zijn er altijd meerdere verschillende antilichamen die zich op één ziekteverwekker richten. Het bekendste antigeen op hiv is het eiwit gp140 dat in stekels op het virusoppervlak zit. De meeste antilichamen hiertegen krijgen er echter nauwelijks vat op, doordat het virus dit eiwit in opvolgende generaties razendsnel kan veranderen. De B-cellen maken dan antilichamen tegen eiwitten die er inmiddels niet meer zijn. Bovendien liggen de stekels vaak te ver uit elkaar om door beide benen van de Y gebonden te kunnen worden. Het antilichaam krijgt daardoor geen grip op het virus.
Reageer of vul aan:



