Koffieboontjes en trommelstokken
De sober ingerichte werkplaatsen waar bacteriologen ruim een eeuw geleden microbiologisch pionierswerk verrichtten, lijken in vrijwel niets op moderne laboratoria. Op één overeenkomst na. Analisten maken tientallen keren per dag een grammetje: een microscopisch preparaat gekleurd volgens de methode van Hans Gram. De Deense student richt zich tijdens zijn opleiding in Kopenhagen in eerste instantie op plantkunde. De in zijn tijd sterk verbeterde microscoop wekt zijn belangstelling en zorgt voor een ommezwaai richting geneeskunde. Het eind van de negentiende eeuw staat bekend als de gouden eeuw van de microbiologie; met name in Duitsland ontdekken artsen aan de lopende band nieuwe ziekteverwekkers. Van 1883 tot 1885 maakt Gram, zoals veel jonge geleerden in die tijd, een studiereis door Europa en verblijft in 1884 een poosje in Berlijn. De snelle ontwikkelingen –enkele tientallen jaren eerder geloofde nog amper iemand in het bestaan van ziektekiemen– fascineren de Deen en hij blijft enkele maanden op het Berlijnse lab hangen. Hij leert er veel van microbioloog Paul Ehrlich, die met kleurstoffen experimenteert om de van zichzelf doorzichtige bacteriën onder de microscoop zichtbaar te maken. Voortbordurend op het werk van zijn leermeester ontwikkelt Gram een kleuring in meerdere stappen, die onderscheidt maakt tussen twee belangrijke groepen bacteriën. Vandaag de dag spreekt men op het lab nog steeds over Grampositieve en Gramnegatieve bacteriën. Een geoefend oog herkent in een volgens Gram gekleurd preparaat meteen de specifieke vorm van een bacterie en gebruikt koosnaampjes als koffieboontjes, trommelstokken en druiventrossen.
Reageer of vul aan:



